Poolse migranten in de Verenigde Staten

In Algemeen, Personen by Lieke Willems

Poolse migranten in de Verenigde Staten

3 mei 2020

Stanislaw (Stanley) Rychtarczyk

Rond de vorige eeuwwisseling emigreerden veel Polen naar de Verenigde Staten. Ook de vader van Tony Rychtarczyk, Stanislaw Rychtarczyk, ging zijn geluk zoeken in ‘het land van de onbegrensde mogelijkeden’.

Zie: Een bevrijder uit Chicago - Tony Rychtarczyk

 

Poolse migranten

Stanislaw Rychtarczyk werd geboren in 1894 in Gronkow (Galicië/Polen) als zoon van Michal Rychtarczyk en Theresia Chrobak. Hij was landarbeider, vrijgezel en woonachtig in Gronkow toen hij meer dan honderd jaar geleden op 18-jarige leeftijd besloot te emigreren naar de Verenigde Staten.

Galicië behoorde in die tijd tot de Oostenrijkse Dubbelmonarchie (1867-1918), die niet alleen Oostenrijk en Hongarije omvatte maar ook de huidige staten Bosnië en Herzegovina, Kroatië, Tsjechië, Slowakije, Slovenië en delen van Italië, Montenegro, Roemenië, Servië, Oekraïne en Polen.
Tussen 1795 en 1919 bestond het huidige Polen niet, maar was het een verscheurd land. Eeuwenlang overheerste andere Europese grootmachten het Poolse grondgebied. In 1795 vond de laatste deling plaats en wel tussen Oostenrijk, Pruisen en Rusland. Het zou nog 123 jaar duren eer Polen, na de Eerste Wereldoorlog in 1918, een onafhankelijke staat zou worden.

 
Hoensbroekse Historie
De Oostenrijkse Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije in 1910.

Rond 1880 emigreerden de eerste Oostenrijkse Polen naar de Verenigde Staten omdat ze onder het juk van de Oostenrijkse regering wilden uitkomen. De kinderen in Galicië waren grotendeels ongeschoold en meer dan de helft van de volwassenen was analfabeet. Poolse jongemannen wilden niet meer in verplichte dienst en vooral de boeren hadden een zwaar, arbeidsintensief leven zonder toekomst.

Amerikaanse werkgevers zagen de hardwerkende Polen graag komen. De industriëlen gingen ook actief op zoek naar Poolse arbeidskrachten en ronselden jongemannen, net zoals destijds gebeurde met de komst van de mijnen in de Oostelijke Mijnstreek. Ze adverteerden met veelbelovende en goedbetaalde banen en een gratis overtocht naar Amerika. Sommige fabrikanten reisden persoonlijk naar Polen om daar reclame te maken voor ‘arbeidskansen’.
Aangetrokken door de mooie beloften ontstond er een ware emigratiegolf. De Polen gingen bij voorkeur naar industriesteden die banen boden in de Amerikaanse staalindustrie, bouw, vleesverwerking en mijnbouw. Ze meden de landbouwgebieden en bijna niemand ging naar het zuiden.
Eenmaal in Amerika bleek de werkelijkheid het tegenovergestelde te zijn van wat de Poolse werknemers was toegezegd: een slecht betaalde baan met wekelijkse ploegendiensten van 84 uur (7 dagen, 12 uur per dag) en amper vrije tijd of sociale activiteiten.
De ploegbazen, die de arbeiders moesten leiden en begeleiden, waren veelal Pools omdat de meeste immigranten geen Engels spraken. Zij waren dan ook volledig afhankelijk van hun voorman om met het bedrijf te kunnen communiceren.

Het overgrote deel van de Polen vestigde zich met andere Poolse immigranten in gemeenschappen, Polonia genoemd. De grootste gemeenschap was in Chicago, Illinois. Daar ging ook Stanislaw naartoe.

 

Stanislaw - Stanley

Stanislaw Rychtarczyk vertrok op 24 september 1912 per schip ‘SS Kronprinzessin Cecilie’, vanuit Bremen (D) naar de Verenigde Staten. Het stoomschip voer via Southampton (GB) en Cherbourg (F) naar New York Ellis Island, waar het op 1 oktober arriveerde.
De passagierslijst vermeldt ook ene Jozef Chrobak, evenals Stanislaw afkomstig uit Gronkau en vermoedelijk zijn neef van moederszijde.

Na zijn aankomst in New York ging Stanislaw naar zijn zes jaar oudere vriend Jozef Zagata die op dat moment woonde in Port Griffith, Pennsylvania. De jongens, allebei afkomstig uit het Poolse dorpje Gronkow, kenden elkaar al van kinds af aan.
Jozef Zagata (1888-1979) was als landarbeider al in 1908 vertrokken naar Amerika. Pennsylvania kende een grote mijnindustrie en Jozef vond werk als mijnwerker. In de jaren ’40 was Jozef werkzaam bij de Pennsylvania Coal Company in de Ewen Colliery, een kolenmijn met destijds meer dan 1000 werknemers in Jenkins Township, Luzerne County, PA. 

 
Hoensbroekse Historie
Deze ‘Breaker boys’ , in onze regio beter bekend als leesjongens, haalden handmatig de onzuiverheden uit de steenkool. Tot de jaren ’20 werkten ook kinderen in de mijn, vaak meer dan negen uur per dag. Kinderarbeid was toen heel gebruikelijk. In Nederland werd hieraan al in 1874 een einde gemaakt met de invoering van het Kinderwetje van Van Houten.
Hoensbroekse Historie
Leesjongens aan het werk. Een 'opzichter' houdt de jongens nauwgezet in de gaten. Indien nodig, prikt of schopt hij ze zodat ze weer gehoorzamen.
Hoensbroekse Historie
Ewan Colliery in Jenkins Tws, waar Jozef Zagata naderhand werkte, is gebouwd in 1915. De mijnen in de Verenigde Staten hadden een heel ander uiterlijk dan die in de Oostelijke Mijnstreek.
 

Naamsverandering
Naar schatting zijn er meer dan twee miljoen Polen naar de Verenigde Staten geëmigreerd. Bij aankomst werden ze vaak respectloos behandeld en door de Amerikaanse immigratieagenten gecategoriseerd per land van herkomst, meestal Oostenrijk, Pruisen of Rusland. Tussen 1795 en 1919 bestond er immers geen Poolse natie.

Bij de registratie op de aankomstlijsten controleerden de ambtenaren van Ellis Island de immigranten op wapens, want niet zelden droegen ze dolken bij zich. Ook vroegen de functionarissen de immigranten naar hun nederzettingsplannen.
Tijdens de registratie veranderden de immigratieagenten vaak de Poolse namen in Amerikaanse. Bij Stanislaw was dat niet het geval, maar de naam van zijn vriend Jozef Zagata werd veranderd in Joseph. Gaandeweg wijzigden veel Poolse immigranten vrijwillig hun namen om zodoende beter in de Amerikaanse samenleving te passen.

 

Na korte tijd te hebben gewerkt in New York, verhuisde Stanislaw naar Chicago, Cook, Illinois. Daar leerde hij Anna Pyka kennen. Ook zij was een Poolse migrant.

Anna Pyka werd geboren in 1896 in Nowy Targ, Galicië, als dochter van Jan Pyka en Rosalia Torba. Toen Anna 16 jaar oud was, besloot ze te emigreren naar de Verenigde Staten. Haar zus Aniela/Angelina Pyka (later getrouwd met Antony Kolodziej) was namelijk al geëmigreerd en woonde in Hamtramck, Michigan. Anna’s oudere zus was uitgehuwelijkt aan een oudere man en Anna wilde niet dat haar hetzelfde zou overkomen. Ze liet haar vader weten dat ze naar Amerika wilde gaan, maar haar vader keurde dat af. Hij gaf Anna haar bruidsschat en zei: “Ga als je wilt, maar kom niet terug!” En zo verliet Anna haar geboorteland.

Het stoomschip ‘SS Königin Luise’, vertrokken vanuit Bremen, arriveerde op 1 mei 1912 in de haven van New York. Zoals gebruikelijk werden de immigranten geregistreerd. Volgens de passagierslijst was Anna 18 jaar en haar eindbestemming zou haar zus zijn in Hamtramck, Michigan. Het is niet bekend bij de familie of Anna daadwerkelijk naar haar zus Aniela is gegaan. Het kan ook zijn dat ze na haar aankomst in New York meteen is doorgereisd naar Chicago waar ze een paar mensen kende.
Later vertelde Anna dat ze had gelogen over haar leeftijd, omdat ze dacht dat ze in haar eentje Amerika niet in zou komen als ze had gezegd dat ze jonger dan 18 jaar was.
Anna heeft haar ouders nooit meer terug gezien.

Stanislaw en Anna trouwden op 28 januari 1917 in Chicago. Hun moedertaal was Pools, maar ze konden ook Engels spreken. Ze kregen zeven kinderen waarvan er twee op jonge leeftijd overleden.

Zie ook: Een bevrijder uit Chicago 

 
Hoensbroekse Historie
Anna en Stanislaw met hun jongste dochter Rose tijdens een bruiloft in augustus 1946. (Particuliere verzameling)
 

Stanislaw had de Oostenrijkse nationaliteit, want toen hij geboren werd behoorde Galicië nog tot Oostenrijk. Op 23 november 1928 is hij genaturaliseerd. Vanaf dat moment was hij Amerikaans staatsburger en werd zijn naam voortaan genoteerd als Stanley.
Anna heeft nooit het Amerikaanse staatsburgerschap aangevraagd, omdat ze zich zorgen maakte over de leeftijdsverschillen in de registraties. Ze was bang dat als haar echte leeftijd zou worden ontdekt, ze zou worden teruggestuurd naar Polen!

Stanley was aanvankelijk werkzaam als inpakker in een dozenfabriek. Volgens de Draft Registration, ook wel Fourth Registration of Old Man’s Registration genoemd, werkte hij in 1942 bij Swift & Co - Union Stock Yards. Deze registratie werd gehouden op 27 april 1942. Het doel ervan was het verzamelen van gegevens aangaande de capaciteiten en vaardigheden van mannen in de leeftijd van 45 tot 64 jaar. Deze registratie was niet bedoeld om deze mannen op te roepen voor militaire dienst, maar om een volledige inventaris te krijgen van arbeidskrachten in de Verenigde Staten die voor nationale dienstverlening konden worden ingezet gedurende de oorlog.

Anna Pyka overleed in 1965 op 67-jarige leeftijd in Cook, Illinois.
Stanley Rychtarczyk overleed in 1976. Hij is 82 jaar oud geworden.

 

Union Stock Yards

Tot na de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) was vers vlees niet beschikbaar, behalve tijdens het slachten wat meestal plaatsvond tijdens de wintermaanden. Mensen aten vooral gezouten varkensvlees. Tegen 1870 werd het centraal gelegen Chicago het centrum van de vleesverpakkingsindustrie. Bedrijven daar gebruikten de spoorwegen om runderen en varkens uit het Westen naar hun faciliteiten te brengen.

In 1906 verscheen de roman The Jungle van de Amerikaanse journalist en romanschrijver Upton Sinclair. In dit boek beschrijft hij de barre omstandigheden en de uitbuiting van immigranten in Chicago en vergelijkbare geïndustrialiseerde steden.
Net als in de mijnindustrie waren ook in de vleesverwerkingsindustrie de werkomstandigheden erbarmelijk en was kinderarbeid ook de normaalste zaak van de wereld. Kinderen waren immers extra goedkope arbeidskrachten. Officieel moesten ze minstens veertien jaar oud zijn. Maar in enkele grote fabrieken – ook in Chicago – waren kinderen vanaf acht jaar te vinden.

Aan het begin van de 20ste eeuw moesten de arbeiders zes dagen per week werken en tien uur per dag. Sommigen kregen zelfs geen enkele dag vrij en moesten eindeloos doorploeteren voor een hongerloon.

Zoals het begin van dit artikel al vertelt, waren de Amerikaanse fabrikanten altijd op zoek naar de goedkoopste arbeidskrachten. Ze waren dan ook blij met de, vaak wanhopige, Europese immigranten. Die vroegen niet veel geld en klaagden niet over de gevaarlijke omstandigheden of overwerk uit angst te worden ontslagen. Maar ook makelaars in onroerend goed maakten zich schuldig aan uitbuiting. Ze profiteerden van de situatie door sloppenwijken te creëren in de buurt van de fabrieken, waar de immigranten konden wonen in goedkope huizen. Zodra ze waren ingetrokken, verhoogde de makelaar de tarieven. Als de bewoners de rekeningen niet meer kon betalen, werden ze eruit gegooid, kreeg de woning een opknapbeurt en werd deze verkocht aan de volgende immigrant die de fabriek in dienst nam.
Arbeiders hadden geen rechten, laat staan dat er zoiets bestond als betaald verlof of een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Raakte een arbeider gewond tijdens het werk, dan kreeg hij geen extra geld. Kwam de kostwinner om het leven, dan zou het gezin dakloos raken en in armoede vervallen.

Het werk in de fabriek was onveilig. De meeste machines hadden scherpe onderdelen om te snijden en te persen. Veel arbeiders verwondden zich en verloren een vinger of een hand. In het ergste geval werd een ledemaat geamputeerd. Ook vielen mannen in de open reuzelvaten, waarin vet werd opgelost. Omdat de arbeiders vaak uren of zelfs dagenlang onopgemerkt in zo’n vat lagen, was ook hun vlees opgelost. Het was dan ook geen zeldzaamheid dat menselijk vlees terecht kwam in het ingeblikte vlees, meestal worst, dat vervolgens zonder controle werd verzonden. De jonge kinderen die werkten onder deze vreselijke omstandigheden liepen het grootste risico op verwondingen en werden vaak permanent verminkt of gedood.

Hoensbroekse Historie Hoensbroekse Historie Hoensbroekse Historie Hoensbroekse Historie Hoensbroekse Historie
Hoensbroekse Historie
De vleesindustrie in Chicago, Union Stock Yards in 1900.

Ook was het in de vleesfabrieken onhygiënisch. Om ratten, vliegen en ander ongedierte buiten te houden, werden de meeste fabrieken bijna volledig afgesloten waardoor er geen ventilatie was. Daardoor was het er in de zomer ondraaglijk heet en stonk het er naar slecht vlees en zwetende arbeiders. In de winter werd de fabriek niet verwarmd, waardoor de arbeiders ijskoude handen kregen en hun werk des te gevaarlijker werd. Daarbij had het gebrek aan ventilatie ook een negatieve uitwerking op de gezondheid van de werknemers.
De arbeiders droegen geen handschoenen en konden geen handen wassen want het ontbrak aan wasgelegenheden. Ze moesten de hele dag werken in bloed, vuil, vervuild water, stukjes vlees en huid en overtollige chemicaliën. Rundertuberculose kwam dan ook veel voor. Deze ziekte kon via melk of besmet vlees worden overgedragen op mensen. Stoppen met werken was geen optie, want dan hadden ze geen inkomsten meer. Dus werkten ze door, al hoestend en bloedspugend, en verspreidden zodoende de ziekte. De daaruit voortvloeiende longinfecties hadden vaak de dood tot gevolg.
Deze werkomstandigheden waren niet alleen schadelijk voor de werknemers maar ook voor de consument. Er zijn gevallen bekend dat men er te laat achter kwam dat ingeblikt vlees verrot bleek te zijn, waardoor mensen ziek werden en sommigen zelfs stierven.

Hoewel machines veel van het werk deden, moesten de mensen elke dag en de hele dag door nog altijd zelf de koeien slachten, ze aan de lopende band doorsnijden, villen, scheuren en in blikken stoppen. Op enig respect hoefden de vele arbeiders in de vleesindustrie niet te rekenen. De slachters, vilders, bottenbrekers en zelfs de uitbeners werden denigrerend ‘de moordbende’ genoemd.

Stanley Rychtarczyk ging in de loop van de jaren ’30 werken bij Swift & Co (Union Stock Yards). De werkomstandigheden waren toen wel al verbeterd.
Union Stock Yards was een vleesverpakkingsdistrict dat van 1865 tot 1971 het centrum van de Amerikaanse vleesverpakkingsindustrie was en bekend werd als Hog butcher for the world (varkensslager van de wereld). Het was een massa-industrie. Hier werd meer vlees verwerkt dan waar ook ter wereld.

Hoensbroekse Historie
Een reclameposter uit 1904.
Hoensbroekse Historie
Union Stock Yards in Chicago, omstreeks 1947.

Many thanks to Nancy Rychtarczyk Stasiek and Rose Rychtarczyk for sharing their stories.

Lees hier over Stanley’s zoon Tony: Een bevrijder uit Chicago 
Zie ook: Het lot van een Amerikaanse soldaat

Geschreven door

Lieke Willems

Ik ben gehecht aan mijn geboortegrond en altijd op zoek naar hoe het leven vroeger was. Voor mijn onderzoek maak ik dankbaar gebruik van originele archiefbronnen, geschiedkundige literatuur, de discipline genealogie en de hulpwetenschap paleografie.

Deel dit artikel

Correspondentie Nancy Rychtarczyk , januari-april 2020.
United States Census, Pennsylvania – Luzerne, Huntington Township, 1930.
United States Census, Pennsylvania – Luzerne, Huntington Township, 1940.
United States Census, Illinois – Cook, Chicago City, 1930.
United States Census, Illinois – Cook, Chicago, 1940.
United States Census, Hamtramck Village, Michigan, 1920.
United States Census, Hamtramck City, Michigan, 1930.
United States World War II Draft Registration Cards, 1942
Illinois, Northern District Naturalization Index, 1840-1950
New York passenger Arrival List (Ellis Island), 1892-1924.
https://www.familysearch.org/
http://www.northernfield.info/
https://en.wikipedia.org/wiki/History_of_the_Poles_in_the_United_States
http://www.fundinguniverse.com/company-histories/swift-company-history/
https://www.americanantiquarian.org/Exhibitions/Food/meat.htm
https://www.ranker.com/list/disgusting-conditions-in-historical-meatpacking-plants/laura-allan