Hoensbroekse Historie

Een staaltje van liefdadigheid van de ‘Liefdezusters’

In Krantenberichten, Opmerkelijke gebeurtenissen, Personenby Lieke Willems

Een staaltje van liefdadigheid van de ‘Liefdezusters’

1 januari 2019

In de Provinciale Drentsche en Asser Courant verschijnt op 29 april 1889 een opmerkelijk bericht over een Hoensbroekse vrouw. Vreemd genoeg heeft verder geen enkele andere krant hiervan melding gemaakt, maar een speurtocht in de archieven heeft een bijzonder verhaal opgeleverd.

Hoensbroekse Historie

Binnenplaats Louisahuis Roermond. (Fotograaf: C. Steenbergh )

Op woensdag 17 april 1889 loopt een man rond vijf uur ‘s morgens door Roermond met een hondenkarretje waarin een vrouw gehurkt zit. De man is op weg naar dokter Charles Leurs1 die in de Steenstraat woont. Daar aangekomen belt hij aan en meteen opent de geneesheer het bovenraam. Wanneer de dokter vraagt wat er aan de hand is, vertelt de man dat hij op de weg tussen Grathem en Roermond een zieke vrouw op straat zag liggen en dat zij hem vroeg of hij haar wilde meenemen naar Roermond zodat zij daar naar het ziekenhuis kon gaan.
Dokter Leurs staat erom bekend altijd hulpvaardig te zijn en hij schrijft dan ook meteen een briefje als bewijs dat Anna daadwerkelijk ziek is.
Volgens het krantenbericht is de vrouw Anna Mens, 39 jaar oud, geboren in Hoensbroek en het laatst gewoond hebbende in Heerlen.

Anna Mens, ook wel Mainz genoemd, blijkt Johanna Maria Meens te zijn. Zij is geboren in Hoensbroek op 25 december 1850. Anna’s vader, Jan Joseph Meens, is landbouwer en woont te Heerlen als hij op 40-jarige leeftijd trouwt hij met de 21-jarige in Hoensbroek wonende dienstmeid Maria Anna Goossens, geboortig van Meerssen. Na hun huwelijk gaan zij in Hoensbroek wonen en dan wordt Jan Joseph arbeider. Beiden kunnen niet schrijven.
Niet lang na Anna’s geboorte gaan haar ouders in Heerlen wonen in de Geerstraat. In 1858 krijgen zij hun tweede kind, een zoontje, dat drie maanden na zijn geboorte overlijdt. Anna’s vader verdient nu de kost als ‘rondleurder’, zoals een marskramer of straatventer werd genoemd. Later wordt hij werkman. Hij overlijdt in februari 1877 in zijn woonhuis op 67-jarige leeftijd en Anna’s moeder verhuist naar Leopoldsburg (B) waar ze probeert rond te komen als ‘rondleurster’.

De 'Liefdezusters'

Terug naar Roermond. Nadat de man met de hondenkar de doktersverklaring heeft gekregen, loopt hij naar het Louisahuis2 dat gelegen is aan het Munsterplein op drie minuten afstand van de dokterspraktijk. Een non van de ‘Liefdezusters uit Tilburg’ opent de deur en als de man de zieke vrouw wil aanmelden, antwoordt de non dat zij niet zomaar kan worden opgenomen. Daarvoor is behalve een doktersverklaring ook een briefje van een van de regenten van het Louisahuis nodig. De man is verbijsterd, heeft geen flauw benul hoe hij aan zo’n briefje zou moeten komen en raakt enigszins vertwijfeld.
Intussen is het al zes uur geworden. De mensen gaan op weg naar hun werk en in een mum van tijd staan er om het hondenkarretje zo’n honderd personen, voornamelijk jeugdige handwerkleerlingen en werkmeisjes. Anna zit nog steeds gehurkt, bibberend van de kou want de afgelopen nacht heeft het flink gevroren. Ze kermt hoe langer hoe meer van de pijn en zegt dan tegen de man dat ze denkt te moeten gaan bevallen.
Onmiddellijk lopen een paar omstanders naar de ‘Liefdezusters’ van het Louisahuis en proberen hen duidelijk te maken dat Anna in barensnood verkeert. Ze smeken de nonnen, als de vrouw al niet in het tehuis mag worden opgenomen, of zij het karretje dan misschien achter de poort mogen rijden waarlangs gewoonlijk de stalmest wordt weggevoerd. Daar zou Anna dan haar kindje ter wereld kunnen brengen, uit het zicht van de menigte die alsmaar blijft groeien. Inmiddels staan namelijk al bijna tweehonderd personen het gebeuren gade te slaan.
Maar het mag allemaal niet baten. De reglementaire bepalingen van het Louisahuis houden in dat geen zieken mogen worden opgenomen zonder bewijs van een regent en dat er evenmin plaats wordt gemaakt voor kraamvrouwen in het gesticht. De nonnen houden voet bij stuk en verschuilen zich achter het reglement van de instelling. Om nog maar te zwijgen van het feit dat de ‘Liefdezusters’ een vrouw in barensnood twee uur lang in een hondenkar voor de deur van het tehuis hebben laten verkleumen van de kou.

Om zeven uur brengt Anna een zoon ter wereld, op straat voor de deur van het Louisahuis en in aanwezigheid van enkele honderden toeschouwers. Gelukkig heeft weduwe Stuijver3 haar welwillend bijgestaan als deskundig vroedvrouw. Na de bevalling tillen vier arbeiders de kar met Anna en haar zoon van de grond en dragen hem naar de Schoolstraat die op vijf minuten loopafstand ligt. Daar zetten ze hem neer in de schuur van weduwe Wijnen. Omwonenden, die grotendeels tot de lagere sociale klasse behoren, verzamelen direct alles wat nodig is voor moeder en kind. Bovendien halen ze nog wat geld op voor het tweetal.
Het krantenbericht eindigt met: “Zíj tenminste hebben getoond een hart te hebben, dat waar klopt voor hulpbehoevende natuurgenooten.”

De geboorteaangifte bij de gemeente wordt twee dagen later gedaan door de 34-jarige vroedvrouw Elisabeth Timmermans. Als getuigen zijn daarbij aanwezig: de 44-jarige veldwachter Jacobus Vincentius van den Esse en de 37-jarige brigadier-veldwachter Theodorus Pubben, beiden woonachtig in Roermond. In deze aangifte staat ook vermeld dat Anna geen een beroep heeft, dat haar woonplaats onbekend is en dat ze die dag toevallig in Roermond is terechtgekomen. Haar zoontje krijgt de naam Joannes. Wie de vader van de pasgeborene is, wordt niet vermeld.

Wie was eigenlijk die man met de hondenkar?

De krant schrijft dat de man verklaarde dat hij Anna onderweg was tegengekomen, maar hij kan evengoed al een relatie met haar gehad hebben en dus doelgericht met haar op weg zijn geweest naar het ziekenhuis. Of hebben zij wellicht direct na de hele consternatie rondom de bevalling op straat een relatie gekregen?
Hoe dan ook, in 1890 is Anna inmiddels marskraamster en ze is van plan te trouwen met de marskramer Jacob Henricus Corten4, ondanks dat zij in Heerlen woont en hij in Maaseik. Om te kunnen trouwen moeten zij zogenaamde huwelijksbijlagen5 inleveren bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Beiden krijgen een bewijs van onvermogen, zodat zij noch de huwelijksbijlagen noch het huwelijk hoeven te betalen. Anna heeft geen enkele akte ondertekend omdat zij niet kan schrijven.
Het is zeer goed mogelijk dat Jacob Corten de man met het hondenkarretje was, want op 28 januari 1891 – dit is negen maanden na het geboortedrama in Roermond – schenkt Anna op 40-jarige leeftijd het leven aan een dochter: Gertrudis Elisabeth. Jacob gaat het kindje aangeven en hij verklaart de vader te zijn. De aanwezige getuigen zijn de 62-jarige logementhouder Winand Cortjens en de 53-jarige herbergier Jean Vanwijcke, beiden woonachtig in Maaseik.
Anna en Jacob trouwen op 19 februari 1891, drie weken na de geboorte van hun dochtertje. Tijdens de huwelijksvoltrekking erkent en wettigt Jacob Anna’s zoontje Joannes.

Geschreven door

Lieke Willems

Ik ben gehecht aan mijn geboortegrond en altijd op zoek naar hoe het leven vroeger was. Voor mijn onderzoek maak ik dankbaar gebruik van originele archiefbronnen, geschiedkundige literatuur en hulpwetenschappen zoals genealogie en paleografie.

Deel dit artikel

  1. Carolus Henricus Gisbertus Hubertus Leurs (1828-1900), zoon van Wilhelmus Ignatius Leurs (arts) en Anna Maria Isabella Hubertina Beerenbroek.
  2. Het Louisahuis was een zieken- en verpleeghuis voor katholieken dat eind 1858 werd gerealiseerd uit de nalatenschap van jonkvrouw Louisa de Pollart. Onder leiding van dokter Charles Leurs verzorgden de Zusters van Liefde van O.L. Vrouw, Moeder van Barmhartigheid uit Tilburg de ernstig zieken uit Roermond en de directe omgeving. Met de komst van een nieuw ziekenhuis in 1931, het Sint Laurentius-ziekenhuis, werd het Louisahuis een bejaardenhuis dat bestond uit een pension voor betalende gasten.
  3. Wilhemina Lefêbre, geboren in Salatiga op Java, behoorde tot de Remonstrantse Gemeente. Zij was vroedvrouw van beroep en drie jaar weduwe van Willem Stuijver, protestant, afkomstig uit Den Haag en magazijnmeester van beroep.
    Zij woonden in Roermond vlakbij het Munsterplein in de Kloosterwandstraat, die toen Achter Kloosterwand heette.
  4. Jacob Corten is geboren te Maaseik op 25 juli 1848 als zoon van Frans Corten en Gertrudis Elisabeth Leduc. Jacob’s moeder is in 1869 op 45-jarige leeftijd overleden. Zijn vader Frans verhuist regelmatig om werk te vinden en verblijft in Sittard, Mechelen aan de Maas en Heerlen waar hij in 1872 hertrouwt. Hij werkt zich op van dienstbode tot drukkersgezel en letterzetter. Uiteindelijk wordt hij boekbinder. Frans overlijdt in Schaesberg, zijn laatste woonplaats,
    in november 1903 (83 jaar oud).
  5. Huwelijksbijlagen bevatten bijvoorbeeld afschriften van de geboorteakten van het bruidspaar, een bewijs dat de bruidegom in militaire dienst was geweest, afschriften van de overlijdensakten als de ouders waren overleden of een akte van onvermogen zodat er niet voor het huwelijk betaald hoefde te worden.